Ontmoeten, aandacht, elkaar scherp houden, betrokkenheid bij de wereld en bij elkaar, verdieping en bezinning.

Gedicht zonder stiltewandeling 6 mei 2020

Ha stiltewandelaars en gedichtenlezers!

Jullie reageerden weer mooi, persoonlijk en uitgebreid op mijn vragen naar aanleiding van het gedicht “Vis” van Mark Boog.
Of vragen je gaande houden. Kun je er tegen als het vragen blijven? En wat het ‘vermoeden’ is, dat de dichter in beschrijft in “een verschrikkelijke spiegel”? Meer dan jezelf?

De lezers die reageerden hadden allemaal niet zo’n moeite met het uitblijven van concrete antwoorden.
“Open staan voor ontwikkeling gaat gepaard met vragen, twijfel en is een proces.”, schrijft iemand.
Een ander vult aan “Als er op onze vragen duidelijke antwoorden zouden komen dan ‘beleven wij het niet’, maar varen op zekerheden, kennen dan géén vermoedens of twijfels”. Zij vervolgt “Dat speuren naar…is een doel op zich. Is daar ons hele leven soms voor bedoeld?”
Een lezer schrijft hierover “Het mysterie van LEVEN is het niet-weten, waarom gebeuren dingen die gebeuren? Waarom, waarom”, waarom?”, en “Trouwens waarom zoeken we altijd naar antwoorden? Waarom aanvaarden we niet zoals het leven zich aan ons manifesteert?”.

Velen van ons hebben een vermoeden. Naar wat dat vermoeden is speuren wij. De één noemt het voedsel voor de ziel,  een teken van ‘geraakt’ worden. Een ander noemt het een sterk geworteld vermoeden naar het Goede dat me op de been houdt en mijn richtsnoer vormt.
Een lezer constateert dat over iets dat niet bestaat een vermoeden hebben hoop geeft. Hoop, dat het in de toekomst goed komt: een rechtvaardige wereld. Een visioen van het ‘goede’. Dat geeft perspectief. Maar tegelijkertijd haalt ‘hoop’ je uit het ‘nu’, volgens deze lezer, terwijl het juist belangrijk is je in het momént ervan bewust te zijn wat je doet. “We weten het niet, maar het vermoeden dat er IETS is houdt ons gaande, schrijft deze lezer, maar is het niet juist de kunst om zonder IETS gaande te blijven? De zin in jezelf te vinden, een zin die bij je past.”

Een anders schrijver betoogt juist dat naast vragen en twijfels ook hoop en liefde ons gaande houden. Liefde heeft te maken met je openen voor anderen, jezelf delen, mede delen. Daardoor nodig je anderen uit dat ook te doen. Daarop volgt de associatie “Hij die is, deelt zich aan ons uit…”.
Verlangend naar samen? Op-en-top!, besluit hij.
Heel actueel, lijkt mij, voor deze tijd waarin mensen die gedwongen alleen zijn het oprechte samen zo missen en waar anderen het opgeklopte samen zo langzamerhand de keel uit komt.

Het zoeken naar vis in dat spiegelende water houdt de schrijvers ook bezig. De spiegel toont je jezelf terwijl je speurde naar vis. Nergens vis!
Een lezer ervaart dat gemis elk jaar rond Pasen. Op die ‘fijne’ tijd van verstilling en bezinning, die de 40-dagentijd vormt, volgt Pasen, schrijft zij. “Jezus leeft! Hoezo Jezus leeft? Waar is die vis? Nergens vis! Er is toch niets veranderd aan al dat lijden?”. Noemt de dichter daarom de spiegel “verschrikkelijk”? Maar ís het verschrikkelijk als je geen vis ziet, maar alleen jezelf?, vraagt zij zich af.
Wat zie je in dat heldere water? We vermoeden onszelf, schrijft iemand. Maar wie zijn we echt, wie ben ik echt… Ook dat blijft een vermoeden.
Daarbij is het moeilijk jezelf helder te zien. Vooroordelen en onzekerheid kunnen het beeld vertroebelen, schrijft de één. Een ander vult aan: “We staan intussen onszelf “lelijk” in de weg, net als Maria op de paasmorgen met haar verdriet en haar naar binnen gekeerde blik, stikvol van dat verdriet om haar dode Christus, niet ziet wat er te zien is: geen tuinman, maar Christus zelf, de levende! Zij, wij, zulke moderne mensen, die ernstig op zoek zijn naar onszelf, staan wij zo niet het vinden van Christus in de weg?”

Tot slot stuurde een wandelaar mij een kort gedicht van Jos Vincken dat volgens mij naadloos aansluit bij het bovenstaande ‘gesprek’:
Soms lijkt het of alles wegglipt,
niets overblijft,
van wat zo zeker leek.
Maar wat verdwijnt,
was nooit werkelijk jou,
stond nooit vast.
Geef je over
aan dat wat niets lijkt,
oneindig niets,
maar waarin je nooit echt valt,
en ontdek
dat je altijd al vloog.

En dan stap ik nu over naar het gedicht van vandaag. Vandaag, de dag na 75 jaar vrijheid, heb ik natuurlijk een gedicht gekozen over vrijheid. Het zoeken ernaar viel me lang niet mee. Ik zocht een gedicht dat ons uitdaagt om over ons zelf na te denken in relatie tot vrijheid. Uiteindelijk koos ik het gedicht Vrijheid van Toon Tellegen dat hij schreef in 1999.

Vrijheid

Voor doodslaan en gelukkig zijn en schromen
en weifelen
en in een afgrond vallen
en ontkennen en schuldig zijn
en koortsachtig zoeken naar waarheid, schoonheid
maakt vrijheid geen verschil,
of hooguit een verschil als tussen een bloeiende appelboom
en geen bloeiende appelboom,
of tussen een kus en geen kus, hoe vluchtig
en verraderlijk ook.

Toon Tellegen Uit: ‘De verleden tijd van vrede, dichters over 4 en 5 mei’,
Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek & Nationaal Comité 4 en 5 mei (2005)

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar ik vind het geen gemakkelijk gedicht. Niet gemakkelijk in twee betekenissen. Niet zo gemakkelijk te begrijpen, te bevatten. En ook niet gemakkelijk in de betekenis van ongemakkelijk. Er wringt iets, je wordt een beetje uit je evenwicht gebracht.
Tellegen beweert naar mijn idee dat je van alles kun doen en beleven, dezelfde dingen, en dat het in feite niet uitmaakt of je ze doet in vrijheid of onvrijheid. Behalve…. en dan beschrijft hij een verschil: “Een verschil als tussen een bloeiende appelboom en geen bloeiende appelboom, of tussen een kus en geen kus (…)”.
Het verschil beschrijft volgens mij een extra glans, een extra waarde. Extra glans aan gelukkig zijn, een extra waarde of betekenis aan de erge dingen als doodslaan en in een afgrond vallen. Het verschil tussen een bloeiende appelboom lijkt klein, maar is natuurlijk immens. De schoonheid, de wauw-factor, de vruchtbaarheid. Het verschil tussen een kus en geen kus, lijkt zo’n klein gebaar, zeker als de kus ook nog “vluchtig” is. Maar kunnen wij zonder kus?

Maar krijgen de daden en ervaringen die hij beschrijft nu extra waarde en glans in vrijheid of juist in onvrijheid?
Is gelukkig zijn mooier in vrijheid? Doodslaan en vallen ingrijpender in vrijheid?
Of juist andersom. Verdiept geluk zich als je het ervaart in een onvrije situatie. Geeft dat iets extra’s?
Ervaren jullie de lente tijdens de coronacrisis, die ons angst en (zelfgekozen) onvrijheid brengt, ook veel intenser, mooier?
Is gelukkig zijn minder sprankelend in vrijheid dan in onvrijheid?

Krijgt doodslaan een andere waarde, betekenis in onvrijheid? Ik denk even aan verzetsmensen die vonden dat zij moesten doden om erger te volkomen.
En krijgen ook gelukkige momenten, goede dingen een andere lading in onvrijheid? Ik herinner mij de contacten begin jaren ’80 met een partnergemeente in de onvrije DDR. Hoe we samen tot de conclusie kwamen dat vrijheid met betrekking tot geloven, tot kerk-zijn, leidde tot vrijblijvendheid. De jongeren uit de DDR mochten bijvoorbeeld na hun Konfirmation (belijdenis), behalve theologie, geen universitaire studie volgen. Dat gaf samen kerk-zijn voor hen wel een extra laag, extra diepgang. Voor ons westerlingen had kerk-zijn minder consequenties.

Zo kun je voor elk van de door Tellegen aangedragen daden en ervaringen nagaan of ze als een bloeiende appelboom zijn in vrijheid of in onvrijheid. Ik kom daar niet uit. In zoverre, dat ik tot de conclusie kom dat het niet zo eenduidig is dat alles is als een appelboom in bloei in vrijheid of juist als appelboom in bloei in onvrijheid.
En dan aan het slot van het gedicht voegt Tellegen ook nog die verraderlijke, (Judas-)kus toe. Alles beter dan geen kus:  slechts een vluchtige kus of zelfs een verraderlijke?

Gaat het gedicht uiteindelijk over of we vrijheid wel aankunnen? Of we vrijheid wel op waarde schatten? Gaan we zuinig genoeg om met onze vrijheid? En welke vrijheid dan? Vrijheid van onderdrukking, van terreur en angst, van welk juk dan ook? En is onvrijheid die we onszelf opleggen, waar we vrijwillig in mee gaan, zoals de ‘intelligente lockdown, beter te verdragen? Of kunnen we deze onvrijheid waarvoor we zelf kozen (is dat echt wel zo?), zonder echte dwang, langzamerhand al niet meer aan?
Ik moet denken aan een uitspraak van Kierkegaard die zal worden opgenomen in de expositie van Vredenoord “Vrijheid in woorden” * :
De mensen maken zelden gebruik van de
vrijheden die ze hebben,
de vrijheid van denken bijvoorbeeld,
in plaats daarvan eisen ze als
compensatie de vrijheid van meningsuiting.

Voor jullie deze keer twee vragen:
Wat doet vrijheid, wat doet onvrijheid, met ons perspectief op wat we doen en beleven? Beoordelen we daden anders in vrije dan in onvrije omstandigheden? En beleven we ze dan ook anders?
Hoe vinden jullie dat we met onze vrijheid omgaan? Hoe ervaren jullie deze tijd? Is ‘onvrij’ daarvoor het juiste woord?
Ik heb bij het nadenken over dit gedicht en waar het aan mijn leven raakt het gesprek met jullie erg gemist. Samen komen we altijd tot veel meer inzicht!

Het ga jullie allemaal goed!
Berta van der Kolk

* Meer over de expositie, die verplaatst is naar de herfst: https://www.vredenoord-assen.nl/organisatie/communicatie/kerk-en-kunst/
Foto’s:
Eergisteren bij Oud Amelte
Appelbloesem (??) in de Amelterhout