Ontmoeten, aandacht, elkaar scherp houden, betrokkenheid bij de wereld en bij elkaar, verdieping en bezinning.

Verslag stiltewandeling 14 oktober 2020

Ha stiltewandelaars en gedichtenlezers!

Net op de grens van een semi-lockdowm lopen we door het natte akkerland ten oosten van Assen-Oost.
De zon aan de grijze hemel is zo vaag en vaal, dat ze geen schaduwen weet te tekenen, en de aantrekkende wind is koud. De akkers zijn leeggehaald en ook de walkanten van het diepje en de sloten zijn kaal gemaaid.
Onze schoenen kletsen op de modderige paden.
En dan krijgen we via het gedicht ook nog een veeg uit de pan van God. Nobelprijswinnares Louise Glück dichtte “Afnemende wind”:

Afnemende wind

Toen ik jullie maakte, hield ik van jullie.
Nu heb ik medelijden met jullie.
Ik gaf jullie alles wat jullie nodig hadden:
bed van aarde, dek van blauwe lucht –

naarmate ik verder van jullie vandaan raak
zie ik jullie steeds duidelijker.
Jullie zielen hadden al lang immens moeten zijn,
niet wat ze bleven,
kleine kletsende dingen –

ik gaf jullie ieder geschenk,
blauw van de lenteochtend,
tijd waarvan jullie het gebruik niet begrepen –
jullie wilden meer, dat ene geschenk
bestemd voor een andere schepping.

Wat jullie ook hoopten,
jullie gaan jezelf niet vinden in de tuin,
tussen de groeiende planten.
Jullie levens zijn geen kringloop als die van hen:

jullie levens zijn een vogelvlucht
die begint en eindigt in stilte –
die begint en eindigt, een echo in vorm
van deze boog tussen de witte berk
en de appelboom.

Louise Glück
Uit: tijdschriftraster.nl  Vertaling: Erik Menkveld
 
Het lijkt wel een tierende profeet via wie God, de schepper, tot de mensheid spreekt. De mensheid wordt aangeklaagd, ter verantwoording geroepen, zo vonden wij.
Met de “ik” uit het gedicht moet wel haast God, de schepper, worden bedoeld. De schepper van “jullie”, wij, de mensheid, dachten we.
We hebben zoveel mogelijkheden meegekregen, we mogen leven tussen aarde en lucht, hebben een ziel, – het is allemaal zo mooi geschapen – , maar toch bakken wij er niks van. Onze zielen zijn “kleine kletsende dingen” gebleven. We hebben ze niet ontwikkeld, laten groeien.

Hoewel God zich op afstand van ons bevindt ergert hij zich aan ons. Zijn beeld van ons wordt naarmate hij verder van ons verwijderd raakt steeds duidelijker. Een God, die van alles van ons vindt, maar niet ingrijpt, niet dicht bij ons is. Hij is op afstand. De vraag is zelfs of hij nog wel van ons houdt, zoals toen hij ons maakte. In elk geval heeft hij medelijden met ons. Medelijden om onze gemiste kansen. We weten niet om te gaan met het geschenk “tijd”. We gaan met tijd om alsof het een dwangbuis is, zei iemand, terwijl we leven in het moment, elk moment weer. Het is ons niet genoeg. We willen meer. “dat ene geschenk”.
Doelt de dichteres op eeuwigheid of onsterfelijkheid? Is het de boom des levens waar we moesten afblijven in het paradijs? En dan die prachtige (ik vind, geniale) zin: “bestemd voor een andere schepping. (Hoe kom je erop!) In elk geval dus niet bestemd voor ons. De stiltewandelaars leek onsterfelijkheid overigens niet zo begerenswaardig…

Overigens wisten we niet alleen slecht om te gaan met het geschenk “tijd”, hoe verwoestend zijn we niet omgegaan met “bed van aarde, dek van blauwe lucht”?

We zullen onszelf niet vinden in de tuin. Is dat het paradijs, waaruit we zijn verdreven? Of gaat het erom dat wij niet zijn als de “groeiende planten” in die tuin, die wél een kringloop doormaken? We kauwden erop, maar kwamen er niet helemaal uit.
De “ik”, die wij voor het gemak maar God bleven noemen, wrijft het er nog maar eens flink in in de laatste alinea “jullie levens zijn een vogelvlucht die begint en eindigt in stilte”. Het houdt op. Het eindigt gewoon. “Wat jullie ook hoopten”. Je leven loopt onherroepelijk af, “afnemende wind”.
Of staat de titel “afnemende wind” voor de afnemende nabijheid van de schepper. De levensadem, de Geest, werd ons in het begin ingeblazen, maar daarmee houdt Gods bemoeienis dan ook op. Zoiets? Ook hier bleven we gissen.

Maar in de raadselachtige slotzinnen zit misschien toch een beetje hoop.
“deze boog tussen de witte berk
en de appelboom”
Dat roept associaties op met een regenboog. Het teken van het verbond.
Maar wat die twee met namen genoemde bomen daar nou mee te maken hebben. Iemand opperde dat de berk een pioniersplant is, die het als eerste redt op braakliggende of verbrande grond (ik googelde zonet nog dat de berk staat voor een nieuwe start) en de appelboom staat voor vruchtdragend. Zit daar dan de hoop in?

Overigens worden die twee bomen wél bij hun naam genoemd, de mensheid blijft een naamloze massa “jullie”. We worden allemaal over één kam geschoren ook. “jullie levens zijn een vogelvlucht” staat er. Een wandelaar merkte op: Hebben jullie onderweg al die verschillende vogels met al die verschillende vluchten niet gezien? Dat geldt ook voor onze levens. Welke vlucht bedoelt de dichteres via haar ïk” dan?

Iemand zei dat ze niet kon geloven in zo’n afzijdige God. ‘God leeft wél mee. Houden van is oneindig”.
Mensen, we hadden een mooie ochtend met elkaar. En nu ik de foto’s bij deze tekst plaats zie ik dat het ook helemaal niet zo grijs was als ik dacht…

Even praktisch:
Ik ben er nog niet helemaal uit of we in deze semi-lockdowntoestand wel door kunnen gaan met de stiltewandelingen. We mogen immers met niet meer dan vier mensen bij elkaar zijn buiten.
Wellicht kunnen we met twee groepjes van vier lopen en korte tijd na elkaar starten. Nabespreken in de kerkzaal mag in elk geval wel. En die is groot en schoon genoeg om veilig te zijn.
Maar goed, mogen en goed bij voelen kunnen ook twee dingen zijn. Ik laat jullie gauw weten of we vrijdag 30 oktober wel of niet gaan stiltewandelen.
Het beste met jullie allemaal intussen!

Vriendelijke groet!
Berta