Ontmoeten, aandacht, elkaar scherp houden, betrokkenheid bij de wereld en bij elkaar, verdieping en bezinning.

Verslag stiltewandeling 19 november 2021

Ha stiltewandelaars en gedichtenlezers!

Mooie herfstkleuren vanochtend. Soms, even, liet de zon die kleuren vlammen.
We lazen bij de molen een gedicht van Toon Tellegen:

Ontbreken
Ik wou dat er iets aan mij ontbrak
en dat ik niet wist wat
 
en dat ik ergens liep
en iemand holde mij achterna,
haalde mij in,
hield mij staande – buiten adem –
en zei: ‘dit, dit ontbreekt er aan jou’
 
en dat mijn hoofd pijn deed van het besef
dat ik voortaan altijd gelukkig zou moeten zijn –
wat een vreemd en ongemakkelijk besef!
 
en dat ik mijn hoofd schudde
en zei: ‘nee, dit niet’
en verder liep.
 
Toon Tellegen
Uit: Glas tussen ons (2018)

‘De heer is mijn herder, mij ontbreekt niets’, deze tekst schoot één van de wandelaars direct door het hoofd.
Een ander dacht aan een boek van Dirk de Wachter, die ervoor pleit om niet altijd gelukkig te willen zijn.

Een kort, toegankelijk en zo op het eerste gezicht wat ironisch gedicht. Toch zette het ons aan tot een lang gesprek. ‘Een eenvoudig gedicht met diepgang’, zei iemand.

De eerste twee regels plaatsten ons direct al voor een raadsel. Hoe vat je die op? Wil de dichter dat er iets aan hem ontbreekt (en dat hij niet weet wat)? Of wil de dichter dat hem iets ontbreekt waarvan hij niet weet wat het is (naast andere gebreken)? Dus ligt het accent op ‘ontbrak’ (eindelijk eens iets ontbreekt) of op dat niet weten wat, naast andere gebreken?

De vragen waar ons gesprek steeds om draaide was: Wil je wel echt zonder gebreken zijn? En kan dat? En ben je gelukkig als je geen gebreken hebt?
Natuurlijk kennen we allemaal wel het verlangen naar het achter je laten van je gebreken, je slechte eigenschappen, je missers. Je loopt in je leven vaak tegen dezelfde onvolmaaktheden van jezelf op.
Maar als je geen gebreken meer zou hebben, als je ‘volmaakt’ zou zijn ‘heb je ook niets meer om naar te streven, zei iemand, heb je geen fantasie meer voor iets anders, beters, is je gevoel van verwachting weg.’
Dat is een gemis.
Het betekent dat je wel open zou moeten kijken naar je gebreken. ‘Maar, zei een ander, ik hoef dan vervolgens niet volmaakt te zijn. Ik accepteer dat ik het niet ben en dát maakt mij gelukkig. Dus als dát er ook mag zijn, hoe moeilijk ook.’. Een ander vulde aan, dat het de vraag is of als je precies weet waar het je aan ontbreekt, je er dan niet altijd iets aan kunt doen. Dus je komt uiteindelijk weer uit bij dat accepteren.
Overigens is het vaak een ander (‘iemand’ in het gedicht) die je attent maakt op wat je gebrek is. Vaak heb je geen zin om dat te horen. Zoals ook gebeurt in het gedicht. Je wilt het niet aannemen en keert de ander de rug toe.
Terwijl je vaak juist anderen nodig hebt voor ongemakkelijke waarheden. Zodat je misschien aan je zelf kunt werken of beter kunt omgaan met dat wat je lastig vindt aan jezelf.

We dachten eerst dat Tellegen met “nee, dit niet” bedoelt, dat hij ‘dit’ iets dat hem ontbrak, niet wil aannemen. Precies dat bepaalde gebrek.
Maar gaandeweg begrepen we het gaat om het voortaan altijd gelukkig te moeten zijn. Dát is waar hij voor past en waarom hij doorloopt. En met dat doorlopen gaat hij gewoon door met leven.
Hij kiest en besluit niet altijd gelukkig te willen zijn, te móeten zijn als hij volmaakt zou zijn, zonder gebreken.
Iemand verwoordde het als ‘Het zij zo’. Met zo’n houding kun je (uiteindelijk, en vaak na heel wat geworstel), leven met je gebreken, de narigheid, het ‘kruis’ dat ieder van ons te dragen heeft.
Het gewoon aangaan brengt veel meer rust. ‘Als je het aan durft te kijken, dan stroomt het weg’, zo was de ervaring van één van de wandelaars.

We herkenden ook de spreekwoordelijk persoon, die alles heeft om gelukkig te zijn:  een liefhebbende partner, leuke kinderen, gezondheid, een mooi huis en vul verder maar in. En dat die dan toch niet gelukkig is.
In onze maatschappij heerst er wel een soort druk om ‘gelukkig te zijn’. Dat zou het doel van je leven zijn.
Het gaat echter niet zozeer om gelukkig zijn, vond iemand. Het gaat meer om tevredenheid, om vrede hebben in jezelf.
Het hoeft niet zo groots. Geluk zit in kleine dingen, als je er opmerkzaam op bent zie je het wel.

Overigens denk ik dat iemand die volmaakt gelukkig is, en van zichzelf vindt dat hij of zij geen gebreken heeft, vaak niet de leukste en fijnste mens is om mee om te gaan. Ten eerste omdat het dan moeilijk contact maken is met die ander en ten tweede, omdat iemand met een randje, met onvolmaaktheden, interessanter is om mee om te gaan. Er is meer dan herkenning mogelijk en empathie.

‘Het leven voelt vaak niet als een gave, maar als een opgave’, zei iemand. Hoe ouder je wordt hoe meer je dat weet. Anderen beaamden dat. Daarom kun je beter genieten van wat er elke dag is en niet teveel denken aan wat er kan gebeuren.
De “ik” uit het gedicht kiest niet voor de volmaaktheid. Hij (of zij) “zei: ‘nee, dit niet’ ” en liep verder. Dat sprak ons als (stilte)wandelaars natuurlijk aan!

Lieve wandelaars, gedichtenliefhebbers en lezers,
De volgende stiltewandelingen zijn:
Woensdag   8 december
Vrijdag       17 december

Wie weet tot dan!
Vriendelijke groet!

Berta van der Kolk