Ontmoeten, aandacht, elkaar scherp houden, betrokkenheid bij de wereld en bij elkaar, verdieping en bezinning.

Stiltewandeling 28 november 2018

Ha stiltewandelaars en gedichtenlezers!

Een ochtend die winters aandeed. De rijp nog op het land. Op de open stukken voelde de wind snijdend koud. Maar mooi was het. Met een heel waterig zonnetje. Even.

We liepen met een gedicht waarin het landschap een rol speel speelt, maar een ander dan waarin wij liepen. Namelijk de zee en de duinen.

Ik wilde eerst November van J.C. Bloem lezen, maar het leek me opeens tóch te somber voor zo’n grijze dag als vandaag, zo zonder uitweg (“altijd dit lege hart, altijd”).

Ook Tentijes gedicht leek me weemoedig, maar uiteindelijk wel mét licht. Heel benieuwd wat de wandelaars erover zouden zeggen!

VAN OVER ZEE

Een strijklicht dat zijn schaduwen uitstrekt
naar onbereikbaar geworden, al verwilderde plekken
om wat zich er ooit voltrokken heeft
en misschien nog steeds niet is gewist –

met de wolken wegdrijvende, weer te binnen
geschoten, willekeurige, grillige momenten, maar er is zoveel
horizon waarachter ze vervolgens
moeten verdwijnen, terwijl een afgelegen
landschap als dit ze zich zelfs
zou horen te herinneren

als het kijken eindelijk het vergeten inwilligt
zijn alle beelden teruggebracht
tot hun essentie, het onderhuidse waar elk woord, elk lied
immer uit voortgekomen is

in een van over zee, van over duinvalleien
en verstuivingen komend licht, dat alles verheldert
maar niets verklaart

Hans Tentije; Uit ‘OM EN NABIJ’, 2016.

(Deel: TOT ZOVER Henk Bernlef gedenkend)

De eerste reactie van meerdere wandelaars op het gedicht was: “Waar gáát dit over?”

Maar na twee keer lezen en gaandeweg het gesprek erover veranderde deze vraag in een bewonderend: “Het is één van de mooiste gedichten die hier langs zijn gekomen!”. Want wat een mooie zinnen en beelden staan erin.

En op wat een bijzondere en haast ongrijpbare manier verwoordt  de dichter het proces van herinneren, vergeten en geraken tot dát wat ertoe doet.

Het gedicht riep allerlei associaties op.

Het is als het opruimen van je huis: Het uitzoeken van wat er nog hoort bij je leven van nu en wat weg kan. Wat heeft nog betekenis? De essentie komt bovendrijven.

Ook werd een parallel ervaren met het stiltewandelen: Eerst gaat er van alles om in je hoofd, dan wordt het stiller. Hersenspinsels vallen weg en je kunt helderder denken. Dan pas kom je bij de essentie.

En: het is als het onder de loep nemen van je eigen leven. Je kijkt terug en durft je leven, je herinneringen onder ogen te zien. Je ziet dan alles in een duidelijker verband (“verheldert”).

 

Het licht speelt een belangrijke rol in het gedicht. Gelijk al de eerste woorden: “Een strijklicht”.  Dat is meestal licht aan het einde van de dag. Een zacht licht. “Door het zachte strijklicht worden herinneringen ontdaan van hun scherpte”, zei een wandelaar. Daardoor kun je er beter naar kijken, meer accepterend. En dán krijg je zicht op de essentie ervan. Licht “dat alles verheldert, maar niet verklaart”. Dus niet op een rationele, beheersende manier, vulde iemand aan. Maar meer, je herinneringen kunnen bezien, zoals ze zijn. Dat aanvaarden. In rust kunnen aanzien.

 

Er zitten wat tegenstellingen in het gedicht. Naast die van licht en schaduw, ook die van wel én van niet willen vergeten.

Het strijklicht komt bij herinneringen – juist ook niet leuke, daar lijken de woorden “wat zich er ooit voltrokken heeft” op te duiden; wij vonden ze althans die lading hebben – die bijna vergeten zijn. We stelden ons de “verwilderde plekken” voor als ‘overwoekerde’ herinneringen, herinneringen waar je niet meer bij kunt (“onbereikbaar geworden”), al dan niet bewust verdrongen misschien.

Wat zich daar heeft voltrokken is “Misschien nog steeds niet gewist”. Daar spreekt een verlangen uit naar wél gewist worden. Gewist vatten we op als vergeten. Ze “moeten verdwijnen” (tweede strofe). En in de derde strofe staat het woord “eindelijk” in de regel “als het kijken eindelijk het vergeten inwilligt”. Het verlangen naar vergeten.

Maar waarom staat in de tweede strofe dan “terwijl een afgelegen landschap als dit ze zich zelfs zou horen te herinneren”. Het valt de dichter tegen dat het landschap de “willekeurige, grillige momenten” heeft laten verdwijnen, niet heeft onthouden.

Het zegt wellicht, zei een stiltewandelaar, dat de dichter zijn herinneringen niet echt wil vergeten (de horizon waarachter de herinneringen moeten verdwijnen is té groot) maar van hun lading wil ontdoen.

 

In de derde strofe lijkt te staan waar het om gaat: “als het kijken eindelijk het vergeten inwilligt”. Als je gaat kijken, dúrft te kijken dan pas kun je vergeten. (Zie de parallel met de stiltewandeling: eerst zit je hoofd zo vol dat je amper merkt waar je loopt, wordt je hoofd leger, ga je meer zien, om je heen kijken en verstomt het tumult in je hoofd.)

Door het licht erop te laten schijnen, echt te zién, gaat de scherpte ervan af en zie je pas waar het werkelijk om gaat, zie je de essentie.

Iemand zei: “Als je zonder angst naar je verleden kijkt, dan laat je het als het ware meedansen met je leven”. Je stopt het niet weg, maar de lading is eraf en het is een onderdeel van je leven geworden. Een onderdeel dat je niet veroordeelt en dat je ook geen pijn (meer) doet. Echt vergeten geeft niet per se rust, werd er nog aan toegevoegd.

 

Het ‘meedansen’ was een associatie die de vorm van het gedicht oproept.

Het gedicht –  de regels, de zinnen zonder interpunctie, de onlogische voegwoorden –  is nogal ongrijpbaar, of zelfs tamelijk onbegrijpelijk. Net zoals je herinneringen vaak ongrijpbaar zijn, niet vaststaand. Dan weer “wegdrijvende” met de wolken, dan weer tevoorschijn komend uit “al verwilderde plekken”. Vorm en inhoud vallen mooi samen. Het roep associaties op met “Hersenschimmen” (over het proces van het ultieme vergeten: door dementie) van Bernlef (die dit gedicht gedenkt).

 

En dan de omschrijving van de essentie ”het onderhuidse waar elk woord, elk lied immer uit voortgekomen is”. Mooi vonden we dat. We vatten het op als de bron waaruit inspiratie ontstaat (voor kunst: ”elk woord, elk lied”), waaruit het scheppen voortkomt.

Als de herinneringen van hun lading, hun scherpte zijn ontdaan, kom je bij de essentie en is er ruimte voor inspiratie, iets nieuws, scheppen.

En dat “licht” uit de vierde strofe, dat kúnnen we haast niet opvatten als gewoon de zon die van over de zee naar je toeschijnt. Het lijkt ons toch een metafoor voor iets dat niet helemaal in woorden te vatten is, net als “het onderhuidse”. Je voelt het aan, maar het is niet te vatten, te grijpen, niet helemaal te begrijpen.

Tot slot:
Eén van de wandelaars moest bij de metafoor van het licht direct denken aan het “Lied van alle dagen” van Huub Oosterhuis dat afgelopen zondag in de Oosterhuisvesper in de Adventskerk werd gezongen.

Hierbij de volledige tekst (het ging in dit verband om de tweede strofe ervan). De prachtige muziek van Antoine Oomen moet je erbij denken:

Nooit hoorden wij andere stemmen dan de onze.
Nooit waren er handen die doen
wat handen niet kunnen,
nooit andere goddelozer mensen dan wij

Maar er was daglicht,
alle dagen,
wat ook gebeurde,
alsof wij liepen over een onzichtbaar weefsel,
boven de afgrond gespannen,
dat niet scheurde.

Nooit werd iemand weggetild uit de tijd.
Maar soms even
wordt lijden opgeschort
of dragen mensen het samen.
Zo zouden wij moeten leven.

Tot de volgende stiltewandeling! De laatste voor Kerst is: vrijdagochtend 14 december.

Vriendelijke groet!

Berta van der Kolk